Scouting en vooroordelen: we zijn niet de brave knopenleggers waar buitenstaanders ons voor aanzien, proberen we altijd uit te leggen. Maar wat zijn we dan wel? Ik ben er nog niet helemaal uit, eerlijk gezegd.

Neem bijvoorbeeld het laatste oudergroepsweekend. Tijdens de vossenjacht heb ik, verkleed als non, drie uur bij de Somerse molen gezeten. Lokale tieners die voorbij fietsten, zagen me zitten, in mijn habijtje en mijn baardje van twee dagen, en moesten zo hard lachen dat ik ze nog kon horen terwijl ze de straat al waren uitgefietst.

Het was niet heel erg gênant hoor, ik heb wel gekkere dingen gedaan voor deze vereniging. En bovendien, ik ben R/S-leiding, uitgelachen worden door pubers is wat ik doe op zaterdag. Maar toen ik gevraagd werd om een stukje te schrijven over mijn scoutinggevoel, moest ik wel denken aan dit soort ervaringen, waarvan ik er honderden heb gehad. Het lijkt me sterk dat ik ooit als non verkleed bij een molen had gezeten als ik als kind 'gewoon onder voetbal' was gegaan. Waarom doen we wat we doen?

Het gekke is dat dezelfde mensen die denken dat de padvinderij een soort fascistische organisatie is, het volgende moment net zo hard kunnen klagen dat 'de jeugd van tegenwoordig' nooit meer buitenspeelt, en dat kinderen alleen nog met andere kinderen communiceren via hun hyves-pagina. En dat is nou net de kern van scouting. We doen leuke dingen en saaie dingen, noodzakelijke dingen en nutteloze dingen, en we doen al die dingen soms enthousiast en soms chagrijnig, met wallen onder onze ogen, maar wat we ook doen en hoe we het ook doen: we zijn bij elkaar en we zijn buiten. En vanaf daar is het aan onszelf om ons eigen avontuur te maken, nietwaar? En op avonturen kun je je nooit voorbereiden. Misschien is dat wel wat me aantrekt in de scouting.

Onze groepsbegeleidster Angelique vertelde me onlangs een verhaal dat ik me zelf niet meer kan herinneren, uit de tijd dat ze mijn scoutsleiding was. Alle scouts, waaronder ik dus, moesten voor spel een touwladder beklimmen om een boomtak te kunnen aanraken, een meter of drie hoog. Nu ben ik al mijn hele leven compleet fobisch voor hoogtes, en ja hoor: op het moment dat ik boven was klemde ik me vast aan de ladder en weigerde omlaag te komen. Nu was ik in die tijd nauwelijks de stoere jongen van de groep, dus je zou kunnen verwachten dat mijn medescouts dachten, 'laat die sukkel lekker hangen.' Maar dat was niet wat er gebeurde, vertelde Angelique. 'Iedereen begon je aan te moedigen,' zei ze. 'Met z'n allen hebben we je naar beneden gepraat. Dat was heel bijzonder om te zien.' Je bent samen buiten, op avontuur, en je moet verder. Op zulke momenten wordt dat duidelijk.

Op de scouting heb ik veel van zulke momenten meegemaakt, en altijd blijkt dat een sterke groep alles kan oplossen, dat iedereen meer in zich heeft dan hij of zij denkt, dat iedereen een rol heeft in het geheel. Jaren later, bijvoorbeeld, ben ik leiding bij de explorers, en lopen we de regiodropping. De route is te lang, na vier uur sjokken lopen we tussen Valkenswaard en

Waalre en moeten we nog een flink stuk. Ik merk dat sommige R/S een beetje aan het instorten zijn en ik zoek naar een manier om ze door hun vermoeidheid heen te praten. Tussen het fietspad en de autoweg staan een aantal hekjes, zoals de beugels die langs de weg staan bij de uitgang van een schoolplein. Ik begin langs de hekjes af te lopen en ze hardop te tellen. Een stuk of vier rowans, waaronder de meest uitgeputte, beginnen uit meligheid mee te doen. De hele weg tellen we hekjes, juichend bij elk tiental, elk honderdste hekje wordt 'gezegend' door een Rowan die een waterflesje bij zich heeft. Grinnikend lopen we een half uur later het dorp binnen. Alle rowans hebben volgehouden, en ik heb iets kunnen doen om ze te helpen. Sinds ik het kind was dat niet naar beneden durfde, heb ik iets geleerd, meer nog dan een paar knopen leggen. Er staan overigens 221 hekjes op de provinciale weg tussen Valkenswaard en Waalre.

Ik denk niet dat het scoutingspel ooit uit de tijd raakt. Altijd zal er weer een stukje bos worden ontdekt dat perfect is om een hut in te bouwen, of zal een scout zich kunnen verbazen dat hij de hele hike heeft volgehouden ondanks dat zijn voeten in brand lijken staan. Het avontuur gaat verder. Soms verveelt het me, erger ik me aan het ingewikkelde gedoe in een vereniging of de hoeveelheid vrije tijd die ik er in moet steken. Maar meestal, als iedereen weer een zaterdag heeft overleefd, zit ik met een biertje bij het kampvuur en ben ik, na zeventien jaar, nog steeds vereerd dat ik deel mag uitmaken van het avontuur dat St. Rafaël heet.

$ander